image image image image
Collectieve Sporen Treed in de voetsporen van je ouders of voorouders en volg hun spoor terug naar Nederlands-Indië. Lees verder..
Brede Historisch Context Plaats de familiegeschiedenis in een bredere historische context.
Lees verder..
Identiteit Je verleden bepaalt deels wie je bent en kan gebruikt worden om richting te geven aan je eigen handelen, nu en in de toekomst. Wie ben ik en waar hoor ik bij? Het zijn deze hoofdvragen die opkomen als het thema  'identiteit' aan de orde wordt gesteld.  Lees verder..
Een Mondiaal Handelsnetwerk De Molukken, een combinatie van tropisch en de vulkanische bodem van de eilanden zorgden ervoor dat twee specerijen oorspronkelijk exclusief in de Molukken voorkwamen en het gebied uiteindelijk de naam specerijeilanden geeft.
Lees verder..

Welkom op de site van Voorouderlijke Sporen

26-27_verborgenverleden_02_1Voorouderlijke sporen is een project van Stichting Pelita en in samenwerking met de LV-INOG en de Moesson.

Treed in de voetsporen van je ouders of voorouders en volg hun spoor terug naar Nederlands-Indië. De website Voorouderlijke Sporen wil het verleden toegankelijker maken.

In de rubriek Collectieve Sporen kun je de algemene geschiedenis verkennen van de verschillende Indische migrantengroepen, waaronder de Indo-Europeanen, Molukkers en Belanda totoks of Nederlanders.

De familiegeschiedenis komt aan bod in de rubriek Voorouderlijke Sporen. Er is een stappenplan dat hulp biedt in het voorouderonderzoek. En in de video clips vertelt een aantal personen over hun zoektocht. De website kan gebruikt worden voor persoonlijke en educatieve doeleinden.

Voorouderlijke Invloeden

image

Bij de eerste generatie leeft het verleden in Indië nog altijd voort in herinneringen en deze worden in beeld-, verhaalvorm of via de opvoeding overgedragen op hun kinderen. Het voorouderlijk verleden markeert voor een deel wie je nu bent. De zoektocht naar je voorouderlijk verleden, je herkomst is meestal ook een zoektocht naar je identiteit. Deze zoektocht levert daarbij niet alleen objectieve informatie op, maar is tevens een emotionele reis door de tijd. In deze rubriek worden twee thema's behandeld: het begrip identiteit en de mogelijke (emotionele) invloeden van voorouderonderzoek.

image

Mijn verhaal begint in het kustplaatsje Air Bangis (sheet 2) aan de westkust van Sumatra, in het noorden van de Padangse Laaglanden. Bij het KITLV, een instituut in Leiden dat het leven in Hollands vroegere koloniën bestudeert, (sheet 3) hebben ze nu nog een kaart uit 1903 waar de omgeving van Air Bangis nauwkeurig op staat zoals het toen was. Daarop kunnen jullie op zien dat de rivier de Air Bangis ontstaat uit allerlei kleinere stroompjes uit Sumatra’s bergen en zich beneden door een uitgestrekt moerasland slingert, om in de Indische Oceaan uit te komen bij het dorpje Air Bangis. Dat betekent trouwens ‘het woelige water’, want de rivier treedt elke regentijd buiten zijn oevers. Daarom staan de houten huizen in het dorp op palen en leeft de bevolking vooral van de visvangst. In de beeldbank van het KITLV (sheet 4) kunnen jullie een tekening vinden van een eenvoudige paalwoning uit een kampong in die streek. Verder is op die oude kaart te zien dat de bevolking tegen een berghelling sawah’s heeft aangelegd. Nou, hier woonden mijn ouders en hier is mijn moeder opgegroeid.

Bij het Centraal Bureau voor Genealogie kunnen jullie mijn persoonskaart opvragen. Dat is een kaart met gegevens uit de burgerlijke stand, gemaakt ten behoeve van de repatriëring naar Nederland na de oorlog. Daarop staat dat mijn vader Frans Wilhelm Krijgsman heette en als jullie wat door de Regeringsalmanak en die oude adresboeken bij de Stichting Indisch Familie Archief bladeren, vind je dat hij in 1858 is geboren en Griffier Rapat was (sheet 5). Ik weet niet wat ‘Rapat’ betekent, want ik ben geen geleerde, maar het heeft iets te maken met het rechtssysteem in Indië. In een handboek voor Griffiers in Indië uit 1860[1] in de bibliotheek van dat KITLV, kunnen jullie lezen dat een griffier in die tijd in een klein plaatsje als Air Bangis de verhandelingen optekende bij openbare terechtzittingen en vergaderingen van de Raadkamer van de Landraad. Dat is de rechtbank waar de plaatselijke bevolking berecht werd of waar ze zelf geschillen konden voorleggen. Verder moest mijn vader waarschijnlijk alle uitspraken en belangrijke dienstbrieven ondertekenen en alle documenten van de Raadkamer zorgvuldig en geordend bewaren. In die beeldbank zitten bijvoorbeeld een foto uit 1860 van een zitting van zo’n landraad. In het midden zien jullie de resident, die in kleine plaatsjes meestal als rechter en president van het gerechtelijke hof optrad. De griffier zit rechts van hem. Griffiers waren in die tijd meestal blanke mannen in een westers pak; mijn vader dus ook. Ja, tegenwoordig zijn griffiers altijd juristen, maar in die tijd niet. In dat handboek kunnen jullie lezen dat de enige functie-eisen waren: persoonlijke geschiktheid en kunde. En dat was mijn vader: kundig. Dat handboek is speciaal bedoeld voor rechtsambtenaren zonder rechtsgeleerde opleiding die natuurlijk wel die nieuwe wetgeving uit 1848 moesten invoeren en toepassen. Mijn vader kon ook helemaal geen jurist zijn, wan dan had hij als 22-jarige aan een Nederlandse universiteit moeten studeren. En dat deed hij dus niet, want toen lag hij in de armen van mijn moeder in Air Bangis.

Ja, het is belachelijk, maar over mijn moeder hebben Hollandse ambtenaren niets anders opgeschreven dan haar voornaam Aïsa. Die behulpzame dame bij het SIFA kan jullie vertellen dat dit ze dit meestal deden bij inlandse vrouwen die kinderen baarden van Hollandse mannen, dus daar kunnen jullie uit afleiden dat mijn moeder een Sumatraanse vrouw was uit Air Bangis. Jullie zult in die administratie ook niks terug vinden over een huwelijk tussen mijn ouders, hij heeft haar nooit getrouwd. Tja, dat ging in die tijd zo: een Hollandse man met zijn toekomstperspectieven een kind verwekken bij een inlandse vrouw, á là, dat deden ze allemaal. Maar haar ook nog trouwen? Adoe, dan kon echt niet. Ik weet niet meer of ze zijn huishoudster was of die van zijn ouders, of misschien gewoon zijn concubine of nog anders. Ik herinner me hen niet veel samen; wat dat betreft was het een echte man; jullie begrijpt wel: aan het werk of bij wat voor relaties dan ook.

In ieder geval werd ik op 10 maart 1881 geboren en mijn vader noemde mij Mathilde Petronella. Alleen kunnen jullie op de achterkant van mijn persoonskaart lezen dat mijn geboorte pas in 1892 vermeld staat in de Regerings Almanak. Toen was ik dus al elf! Die behulpzame dame van het SIFA kan jullie vertellen dat dit waarschijnlijk betekent dat mijn vader mij pas in 1891 heeft erkend als zijn wettige dochter. En trouwens, de familie Krijgsman heeft zelf ook genealogisch onderzoek gedaan en daarin kunnen jullie vinden dat hij toen ook mijn jongere zusje heeft erkend: Sophia Clementine uit 1884. Ik weet niet meer of mijn moeder ook haar moeder was, want met die Hollandse mannen van toen wist je dat natuurlijk nooit. En wat kan ik me nou herinneren van die tijd? Ik was pas twee en een half! Maar in ieder geval was Sophia niet van een echtgenote, want dan had onze vader haar natuurlijk niet hoeven erkennen, hè, dat snappen jullie wel. Trouwens, dat genealogische onderzoek van de familie Krijgsman moet je wel met een korreltje zout nemen, hoor, want dat zegt ook dat mijn vader Gerrit Eduard heette en opzichter der wegen was. Maar ze zeggen er niet bij hoe ze daaraan komen en dat verhaal komt ook niet overeen met de familieverhalen en mijn persoonskaart, dus nou ja.

Nou, (sheet 6) als jullie een beetje geïnteresseerd zijn in je familiegeschiedenis, dan kun je in antropologisch onderzoek lezen dat het gebied rond Padang Minangkabauwgebied was. Dat was een volk waar vrouwen de leiding hadden in familiezaken. Als mijn moeder een Minangkabauwse was, dan had ze dus geleerd hoe ze als vrouw een familie, een huishouden en de familiezaken moesten leiden en hoe ze daarbij de mannen moesten inschakelen. Want ja, als je dat soort dingen aan mannen over laat, dan weten jullie het wel, hè, meiden? Ik denk dat ik dat een beetje van mijn moeder heb overgenomen zo. Ja, natuurlijk alleen als mijn vader het goed vond, hè, want in Holland gaat dat heel anders. In die beeldbank kunnen jullie ook foto’s vinden van zo’n typisch Minangkabouws familiehuis uit de Padangse laaglanden, die we samen bekeken toen jullie mij in Padang kwamen opzoeken. Op de voorgrond zien jullie nog zo’n voorraadschuur op palen. Misschien is mijn moeder wel in zo’n huis opgegroeid in plaats van in zo’n armoedige paalwoning. Neem dat maar aan; mijn vader zal vast geen armoedzaaier hebben uitgezocht en dit staat toch veel mooier, niet waar?

In een adresboek uit 1903 kunnen jullie vinden dat mijn vader op dat moment was getrouwd met ene mevrouw H.J. Goes en in die andere boeken dat zij in 1892 een derde dochter kregen: Agnes Charlotte Isabella. Zij heeft geen aantekening ‘erkend’, dus toen waren ze al getrouwd. Ik weet niet meer precies wanneer ze trouwden, maar nog wel wat het voor mij en mijn zusje betekende: we werden dan wel erkend en kregen vaders achternaam, maar je denkt toch niet dat die mevrouw Goes toestond dat onze moeder bij ons bleef? Dramatisch was dat: mama weg en wij overgeleverd aan die vreemde Hollandse. (sheet 7) In die beeldbank zit geen foto van ons gezin, maar wel een ander griffiersgezin uit die tijd in Indië voor hun huis. Zo krijgen jullie een idee van hoe we ons toen kleedden. In de bibliotheek van het SIFA kunnen jullie een verslag vinden van een Nederlandse, hogere ambtenaar uit die tijd[2]. Daar staat in dat de positie van een ambtenaarsvrouw als mijn stiefmoeder belangrijk was voor de carrière van haar man: ze moest ontvangsten organiseren van allerlei ambtelijke relaties die hem misschien ooit naar een betere positie zouden kunnen helpen. En uiterlijk vertoon was toen erg belangrijk, dus ze moest er ook voor zorgen dat het interieur van het huis in perfecte staat was, in overeenstemming met onze status. Ook moest ze vader vergezellen naar andermans ontvangsten en naar de sociëteit. Ambtenaren waren in die tijd verplicht lid van een sociëteit. En op al die bijeenkomsten moest ze goede relaties leggen met echtgenotes van belangrijke personen: alles ten dienste van vaders carrière.

Nou, hoeveel aandacht denken jullie dat ze nog over had voor de dochters van vaders oude njai? Precies. Verder kunnen jullie in een ander verslag uit die periode[3] in diezelfde bibliotheek lezen dat Hollandse kinderen zoals ons zusje Agnes vaak werd geleerd om niet met de baboes en het andere inlandse personeel te spelen of hun Maleise woorden over te nemen. Ook werden deze kinderen vaak naar andere scholen gestuurd (internaten op Java, bijvoorbeeld) dan de Indo-Europese kinderen. Overigens werd mijn vader als griffier goed betaald hoor, geld voor eten en kleding was er altijd. Maar ze waren dus heel anders voor Agnes dan voor ons. Drie maal raden hoe dat voelde voor ons? Driemaal raden wat wij van stiefmoeder allemaal moesten doen na school? Vanaf dat moment was ons leventje thuis dus niet meer zo leuk.

Tja, dus wat doe je dan zodra je de huwbare leeftijd bereikt? Die Carel Richardson Davies uit Pariaman leek me best een knappe, aardige indo en hij wilde wel trouwen, dus ja. Maar hij bleef niet lang. Ik weet nog steeds niet waarom, maar op een dag ging ie weg. Ik weet niet meer hoe ik die tijd ben doorgekomen, maar ik heb het overleefd. Gelukkig woonde en werkte mijn vader toen in Padang Pandjang, niet ver van Pariaman (sheet 8), dat kunnen jullie zien in dat adresboek van 1903. Maar ik kan me niet eens meer herinneren of ik daar nou veel ben geweest toen.

Gelukkig wist ik al snel jullie opa Jan de Vries te verleiden. En ja, ik raakte zwanger, dus toen moest hij me wel trouwen. In 1905 zijn we getrouwd in Pariaman, dus toen was ik 24 (sheet 9). Pariaman ligt ook aan Sumatra’s westkust: een stuk zuidelijker richting Padang. In het fotoarchief van het SIFA zit een foto (sheet 10) van ene Jan de Vries, maar jullie hebben hem nauwelijks meegemaakt, dus je weet natuurlijk niet of dat ‘m is. En er waren vast vele Jan de Vries’en in Indië en waarschijnlijk was zo’n blanke man geen mijnopzichter, maar ja. Neem het maar gewoon aan, dan hebben jullie een beeld en hij ziet er op de foto best knap uit, vinden jullie niet? In ieder geval kon jullie opa Jan gaan werken als opzichter in de Ombilin steenkolenmijnen van Sawahlunto en dus zijn we naar dit mijnstadje verhuisd (sheet 11). Die naam Sawahlunto betekent ‘rijstveld aan de rivier de Lunto’ en Ombilin was gewoon de bedrijfsnaam van de mijn, hoewel die ook wel van een Maleis streekwoord zal zijn afgeleid. Als jullie de jaarverslagen van de mijnen naslaan, kunnen jullie daar alle aan Europeanen gelijkgestelde personeelsleden terugvinden, ook je opa. En jullie hebben (sheet 12) een foto van één van de mijningangen met jullie opa Urban erop als tweede van rechts. Die werkte ook voor de mijn, maar in een betere functie; hij was ook veel blanker.

In de bibliotheek van het KITLV staat een artikel[4] over het leven van de Indo-Europese gemeenschap in Sawahlunto. Dat artikel komt heel aardig overeen met jullie eigen herinneringen, maar het gaat ook in op de ontstaansgeschiedenis en op de omstandigheden in de mijnen. En daar weten jullie niet zoveel van, maar het heeft wel een grote invloed gehad op mijn leven. Kijk, vanaf de oprichting van de mijn halverwege de 19e eeuw tot 1900 mocht zelfs het management van de mijn uit kostenoverwegingen niet trouwen. Er was immers geen geld beschikbaar voor de bouw van gezinswoningen en scholen. Maar ja, jullie weet hoe mannen zijn als ze Minangkabauwse en Javaanse schonen zien, hè: de njais deden hun intrede; net als mijn moeder. Nou, de mannen erkenden hun Indo-Europese kinderen vaak wel, gaven hen hun naam, stuurden hen lekker toch naar een Europese lagere school en de jongens gingen daarna naar de mijnbouwschool in Fort de Kock, niet ver van Sawahlunto, wat tegenwoordig Bukittingi heet. Vervolgens gingen die jongens ook voor de mijn werken als opzichter of klommen zelfs op in functie en ze trouwden veelal onder elkaar. Uiteindelijk woonden er zo’n vijftig Indofamilies in Sawahlunto en ontstond er dus die gezellige, Indogemeenschap in het stadje zoals jullie je die nog herinneren. Doordat de mijn niet zonder hen kon, zij aan de plaatselijke situatie waren gewend was het dus gemakkelijker om hen te behouden dan om Hollandse jongens op te leiden en daarheen te sturen. Daarom kregen zij ook beter betaald dan de gemiddelde Indo in Indië en (sheet 13) stevige, veelal stenen, grote huizen. Daardoor hadden we daar een best wel comfortabel leven: we hadden auto’s, bedienden, (sheet 14) een sociëteit, bioscoop/theater, een coöp (dat noemen jullie nu een supermarkt) met Hollandse producten, een eigen ziekenhuis en scholen. We maakten ’s zondags uitstapjes naar een zwembad, afijn, dat weten jullie allemaal nog wel. Maar bedenk dat jullie leventje voor Indo’s in Indië dus best wel uniek was. Elders waren Indo’s vaak ‘Indopaupers’, maar wij niet; wij hadden het goed.

Maar het leven van de inlandse mijnwerkers was heel anders. (sheet 15) In die beeldbank vinden jullie veel foto’s uit 1910 van de Ombilinmijnen van Sawahlunto. Al vanaf de oprichting van de mijnen hadden ze een arbeidersprobleem: Minangkabauwers vinden mensen die onder de grond werken, ‘minder dan mensen’. Dus de weinigen die het al wilden doen, vroegen veel geld en dat was er niet. Bovendien had de bevolking werk zat: er was genoeg vruchtbaar land en er woonden niet zo heel veel mensen. Daarom besloot de directie om langgestraften uit gevangenissen tot zelfs in Batavia in te zetten als dwangarbeiders. Dat weten jullie nog wel, want jullie noemden ze als kind ‘kettingberen’. En ze hadden het zwaar. Waarschijnlijk hebben jullie je dat nooit zo gerealiseerd, want als kind wisten jullie niet beter dan dat mijnwerkers leefden zoals ze leefden. En als welvarende indo’s hadden we natuurlijk ook nauwelijks contact met hen; dat was toen zo: iedereen ging alleen om met mensen van de eigen stand. Maar in een biebboek uit 1927 over de mijnen kunnen jullie lezen dat er in 1924 uiteindelijk 3269 dwangarbeiders, 5146 contractarbeiders uit Java en 1602 lokale arbeiders[5]. Zij werkten lange dagen onder de grond met vieze, zware steenkool en eenvoudige werktuigen, want machines bestonden nog niet. Ze kregen geen loon als ze dwangarbeider waren en maar 60 cent per dag als ze een contract hadden. En dat waren geen eurocenten, hè! En zodra ze ongehoorzaamheid waren, kregen ze zweepslagen. (zucht) Tja, dat moest ook wel, want er waren regelmatig mijnwerkersopstanden, velen liepen weg, gedroegen zich gewelddadig en hadden geen discipline. Nou ja, da’s misschien ook niet zo gek als je zo moet werken. Dus de mijn was blij met de semi-militaire politie in het stadje of misschien hadden ze die wel zelf geregeld. Maar dat was dus allemaal, omdat de directie de kolenwinning zo goedkoop mogelijk moest doen van de regering; het was een staatsmijn. En niet alleen de dwangarbeiders, maar ook de Javaanse contractarbeiders hadden het zwaar: ze deden hetzelfde werk, moesten ongetrouwd zijn en sliepen zij aan zij in houten barakken (zie sheet 16). Sommigen trouwden na afloop van hun contract een Minangkabauwse en bleven in de kampong van Sawahlunto wonen en in de mijn werken, vaak zonder contract. In de mijnadministratie vinden jullie hen terug als zogenaamde ‘vrije’ arbeiders Daarin kunnen jullie ook zien dat het er eerst heel weinig waren, maar dat hun aantal gedurende de jaren langzaam groeide. Tja, van dat hongerloontje moest je wel heel hard sparen om aan het einde van je contract een boottocht terug naar Java te kunnen betalen en daar weer een nieuw huis en zo.

Dat artikel over de mijnomstandigheden kunnen jullie overigens bevestigd zien door een ander artikel, dus het was echt wel zo, hoor.[6] Ik weet dat jullie vader met oud- en nieuw altijd cadeaus kreeg van zijn contractarbeiders, omdat hij altijd zo aardig en rechtvaardig voor hen was. En ja, uiteindelijk overleefde hij in de oorlog als één van de weinige opzichters dankzij de bescherming van zijn voormalige arbeiders. Maar zie hem maar als een uitzondering, want lang niet alle opzichters waren zo. Want jullie moeten je wel bedenken dat terwijl er dus zo’n 10.000 mijnwerkers waren, er maar 52 opzichters waren. En dus moest elke opzichter toezicht houden op wel zo’n 200 gevaarlijke, ontevreden arbeiders in smalle, donkere mijngangen. Nou, jullie opa Jan was dus zo’n opzichter die zes dagen per week zo’n 200 niet zo blije arbeiders aan het werk moest zetten en houden. Dus ja, als hij thuiskwam na zo’n dag, ging ie op zijn krent zitten en verlangde van mij aandacht, liefde, troost, vrolijkheid. Maar ja, dat heb ik zelf ook nooit gehad en dus niet geleerd: ik moest altijd vervelend werk doen van die nare stiefmoeder van me en mijn vader was altijd aan het werk. En ik moest in Sawahlunto dat grote huishouden runnen met al die landerijen met vruchtbomen en bloembedden en zo, dus voor mij was het ook hard werken. Dus misschien ben ik niet altijd even aardig voor Jan geweest. En tja, mijn moeder had mij geleerd dat je mannen altijd moest inschakelen voor de familiezaken, anders gingen ze maar liggen luieren of gokken bij de hanengevechten. Dus ja, kassian, Jan.

Maar wat waarschijnlijk vooral de toon tussen ons zette, was het overlijden van Francisca, ons eerste kindje. In die archieven kunnen jullie vinden dat ze op 9 juli 1905 werd geboren en drie maanden later overleed. Het was verschrikkelijk verdrietig, maar jullie weet: Indische mensen praten niet over dat soort moeilijke dingen en in die tijd al helemaal niet. Dus ik weet niet wat Jan voelde of dacht, ik voelde alleen mijn eigen verdriet en schuldgevoel en alles. Misschien had ie toen al spijt dat mij had getrouwd, want dat had ie waarschijnlijk vooral gedaan omdat ik zwanger van hem was. (sheet 17) Op een foto uit die beeldbank zien jullie hoe het mijnziekenhuis in Sawahlunto er uitzag toen ik Francisca daar voor het laatst zag. En waar jullie moeder later is geboren. Het heeft een jaar geduurd voor we weer hebben geprobeerd om zwanger te worden we waren heel bang dat het weer mis zou gaan, maar gelukkig werd jullie tante Jeanne op 25 mei 1907 geboren als een gezonde baby, jullie moeder Kitty een jaar later en daarna bleef ik gezonde kinderen krijgen tot en met mijn baldadige benjamin, jullie oom Jeeke. (sheet 18) Hij was het die jullie vaak bang maakte door de hangbrug naar onze tuinen flink te laten slingeren En jullie hebben ook nog een foto (sheet 19) van jullie moeder in haar jonge jaren met haar jongere zussen Inga en Syl.

Maar jullie weet dat opa Jan een vrouw in Padang leerde kennen en bij ons wegging. In de archieven kunnen jullie zien dat hij zich pas in 1959 officieel van mij heeft laten scheiden, maar jullie weet dat hij al veel eerder weg was. Maar waarschijnlijk mocht ik door die late officiële scheiding wel nog zo lang in het huis op de berg blijven wonen van de mijndirectie. Maar ja, het was mijn zoveelste verlies: eerst mijn moeder waardoor ik bij die onmogelijke stiefmoeder kwam, vervolgens mijn eerste man, ons eerste kindje Fransisca en toen opa Jan. En met hem natuurlijk zijn inkomen, terwijl ik achterbleef met de kinderen. Jullie moeder klaagde wel dat ze van mij zo hard moest werken, maar hoe moest ik anders al die monden voedden en kleren kopen? Dus Jeanne moest kleren naaien, jullie moeder moest het huishouden doen en helpen met de bloembedden en ik maakte en verkocht de boeketten en het eten en lekkers voor de kerk, voor begrafenissen, voor de sociëteit, voor het hotel en voor anderen. De jongens onderhielden de fruitbomen. En zo konden we met zijn allen net het hoofd boven water houden. Nee, tijd om te spelen en zo was er dus niet; de kinderen mochten blij zijn dat er tijd was voor school. En trouwens, aan hard werken is nog niemand dood gegaan en zo leerden de meiden meteen hoe ze moesten overleven als hun mannen later ooit nog eens weg zouden lopen. Want als ik één ding heb geleerd in mijn leven, dan is het wel dat je nooit moet vertrouwen op mannen. Elke vrouw moet haar eigen boontjes kunnen doppen.

Ja, en tuurlijk mochten jullie bij mij komen spelen als jullie moeder weer eens het ziekenhuis in moest voor een bevalling. Maar ja, tijd om mee te spelen had ik niet, dus jullie moesten jezelf vermaken en me vooral niet in de weg lopen, want dan zorgde ik er wel voor dat je uit de weg gíng! En ik weet best dat jullie mij wel eens vergelijken met jullie oma Urban en dat je haar veel liever vond. Maar ja, zij was door haar overleden man verzorgd achtergelaten en had zeeën van tijd om jullie te verwennen, terwijl ik maar moest zien te overleven.

Ergens vóór de oorlog moest ik uiteindelijk toch het huis op de berg met de tuinen teruggeven aan de mijn en ben ik naar een klein huisje in Padang verhuisd met jullie tante. Ik ben bij jullie andere tante gaan wonen en ik heb daar nog wel eens cumi cumi, inktvis, voor jullie gemaakt, want het was dicht bij het strand en we verzamelden daar vaak vis die de vissers achterlieten.

En in de oorlog? Ach, dat weten jullie zelf nog wel, niet? En trouwens, in de bieb van dat KITLV ligt een interview5 met Gerdy Erlemann-Ungerer over de lotgevallen van de Indo’s uit Sawahlunto tijdens de oorlog. Als jullie dat leest, herkennen jullie de verhalen wel weer. Ikzelf kwam jullie weer tegen toen we allemaal werden geïnterneerd in (sheet 20) het weeshuis en later in de gevangenis van Padang en ten slotte (sheet 21) in het oerwoud bij Bangkinang. Jullie herinneringen je nog wel dat de gevangenis De Boei het ergste was: de Jap propte 1000 vrouwen en kinderen in een gevangenis bedoeld voor 200 gevangenen. Dus de toiletten liepen over, we sliepen hutje mutje bovenop elkaar en het was er zo smerig. (sheet 22) Ik weet niet meer waarom, maar jullie moeder wilde in Bangkinang niet meer bij mij in de barak; ze ging naar een andere met jullie. Kinderachtig en verdrietig om in oorlogstijd je moeder aan haar lot over te laten, maar ja. Als je je moeder ervan beschuldigt eten van je kinderen te stelen, wordt samenleven ook wel heel moeilijk. (sheet 23) Jullie weten niet wat er daarna met mij is gebeurd, maar ik ben al zo lang aan het praten, laat ik het kort houden. In die archieven kunnen jullie vinden dat ik na de oorlog eerst nog enige tijd in Jakarta woonde en pas in de jaren ‘50 naar Nederland kon. Uiteindelijk kwam ik via een huisje in Cuijk in 1962 terecht in Dordrecht. Verschrikkelijk vond dit oude, Indische mensje het hier: koud en onvriendelijke, onopgevoede Hollanders, vond ik als oud. Ik heb het hier dus ook maar zes jaar uitgehouden.

Tja, kinderen, dat was mijn verhaal. Dus nou niet meer klagen over jullie onvriendelijk, commanderende oma, hè. Want nu weet je waarom ik zo was. Vertel maar aan jullie kinderen hoe jullie oma helemaal alleen je moeder en haar broers en zusters gezond en goed door een armoedige jeugd heeft heen gesleept. Want zo was het maar mooi.

Katja Urban, Achterkleinkind van Mathilde

Dim lights
gebaar

Over ons..

Onder de nazaten van migrantengroepen uit voormalig Nederlands-Indië en Nederlands Nieuw-Guinea is een groeiende behoefte geconstateerd aan informatie.

Verder Lezen

Contact Info

  • Voorouderlijke Sporen
  • Informatie: info@voorouderlijkesporen.nl
  • Helpdesk: service@voorouderlijkesporen.nl
  • Tech.: webmaster@voorouderlijkesporen.nl
  • Tel.: 070-3305111 of 035-6839579
  • Contact Info St. Pelita

  • Stichting Pelita
  • p/a Voorouderlijke Sporen
  • Javastraat 52
  • 2585 AR Den Haag
  • 070-3305111
  • Contact Info LV-INOG

  • Landelijke Vereniging INOG
  • Postbus 1534
  • 1200 BM Hilversum
  • tel.: 035-6839579
  • email: info@inog.org